Door de grondeloze genade van de lotusvoeten van mijn hoogst vererenswaardige Śrī Gurudeva, nitya-līlā-praviṣṭa oṁ viṣṇupāda aṣṭottara-śata Śrī Śrīmad Bhakti Prajñāna Keśava Gosvāmī Mahārāja, wordt vandaag deze uitgave van Śrī Manaḥ-śikṣā van de hand van Śrī Raghunātha dāsa Gosvāmī, de eminentste volgeling van Śrī Rūpa Gosvāmī, aan de trouwe lezers gepresenteerd. Het commentaar dat men in deze uitgave treft heet Śrī Bhajana-darpaṇa-digdarśinī-vṛtti, de toelichting die alle aspecten van het commentaar getiteld Bhajana-darpaṇa behandelt. Het is een vertaling met de aantekeningen van het Bhajana-darpaṇa-commentaar van de hand van Śrīla Saccidānanda Bhaktivinoda Ṭhākura, die in dit moderne tijdperk de stroom van de Ganges-rivier van bhakti, die praktisch verzand was, opnieuw op gang heeft gebracht.
   Śrī Manaḥ-śikṣā – geschreven door Śrī Raghunātha dāsa Gosvāmī, de eeuwige metgezel van Śrī Caitantya Mahāprabhu – is een reeks van elf verzen van onderricht aan de geest. Deze verzen zijn ontleend aan het boek Śrī Stavāvalī, een verzameling van alle gebeden en uitingen van diep geestelijk verlangen van de auteur. Op zeer beknopte wijze heeft Śrī Dāsa Gosvāmī deze elf verzen van Manaḥ-śikṣā geladen met de essentie van het onderricht van Śrī Gaurasundara, de door prema bedwelmde belichaming van de versmolten gedaanten van Śrī Śrī Rādhā-Kṛṣṇa, van Diens intieme metgezel Śrī Svarūpa Dāmodara en van rasācārya Śrī Rūpa Gosvāmī.
   In de Gauḍīya bhakti-geschriften, zoals Śrī Bhakti-rasāmṛta-sindhu, Śrī Bṛhad-bhāgavatāmṛta, de Ṣaṭ-Sandarbha’s en het Śrī Caitanya-caritāmṛta, wordt bhakti onderverdeeld in drie categorieën: sādhana-bhakti, bhāva-bhakti en prema-bhakti. Sādhana-bhakti wordt verder onderscheiden in twee niveaus: vaidhī en rāgānugā. Bhāva-bhakti voortkomend uit vaidhī-sādhana-bhakti en prema-bhakti voortkomend uit bhāva-bhakti van dien aard worden beheerst door aiśvarya-jñāna of kennis van de rijkdom en majesteit van de Heer. Maar bhāva voortkomend uit rāgānugā-sādhana-bhakti en prema voortkomend uit dat type bhāva wordt beheerst door mādhurya of zoetheid zonder een zweem van aiśvarya.
   Slechts door prema beheerst door mādhurya verstoken van ieder spoor van aiśvarya of ontzag kan men tot de liefdedienst komen aan de lotusvoeten van Yugala-kiśora, Vrajendra-nandana Śrī Kṛṣṇa en Vṛṣabhānu-nandinī Śrīmatī Rādhikā. Door prema beheerst door aiśvarya wordt men naar Vaikuṇṭha geleid. Er is dus een fijn maar tegelijk beduidend verschil tussen het type bhāva en prema ontstaand uit vaidhī-sādhana-bhakti en rāgānuga-sādhana-bhakti. Dat fundamentele verschil geeft duidelijk de gedachtenlijn aan van de Śrī Gauḍīya Vaiṣṇava ācārya’s zoals tot uitdrukking gebracht in de volgende uitspraak van het Śrī Caitanya-caritāmṛta (Ādi-līlā 3.15–17):

sakala jagate more kare vidhi-bhakti
vidhi-bhaktye vraja-bhāva pāite nāhi śakti

aiśvarya-jñānete saba jagata miśrita
aiśvarya-śithila-preme nāhi more prīta

aiśvarya jñāne vidhi bhajana kariyā
vaikuṇṭhake jāya catur-vidha mukti pāñā

[Śrī Kṛṣṇa zei:] Overal ter wereld vereren de mensen Me volgens de schriftuurlijke regels, maar door dergelijke regulerende principes te volgen kan men de liefdevolle gevoelens van Mijn verheven toegewijden in Vraja niet bereiken. Omdat men bewust is van Mijn Goddelijkheid, vereert de hele wereld Me met een gevoel van ontzag en eerbied. Liefde verzwakt door zulke eerbied doet Me geen genoegen. Degenen die me vereren volgens de schriftuurlijke regels met een gevoel dat wordt beheerst door ontzag en eerbied gaan naar Vaikuṇṭha en verkrijgen de vier vormen van verlossing – sārṣṭhi (het bezit van rijkdom gelijk aan die van de Heer), sārūpya (lichamelijke kenmerken als die van de Heer), sāmīpya (nabijheid van de Heer) en sālokya (verblijf in het oord van de Heer).

   Diepe gehechtheid doortrokken van spontaan en intens opgaan in het voorwerp van onze genegenheid wordt rāga genoemd. Rāgamayī-bhakti tot Śrī Kṛṣṇa doortrokken van deze diepe gehechtheid wordt rāgātmika-bhakti genoemd. Bhakti in het spoor van rāgātmika-bhakti heet rāgānugā-bhakti. Het enige dat iemand kwalificeert voor de beoefening van rāgānugā-bhakti is de hunkering om zich de gemoedsgesteldheid van de rāgātmikā-toegewijden van de Heer te verwerven. Zo’n rāgānugā-bhakti sādhaka dient altijd in Vraja te verblijven. Door middel van zowel het fysieke lichaam als de innerlijk gecontempleerde geestelijke gedaante, dat geschikt is om dienst aan Śrī Kṛṣṇa uit te voeren, waar men vurig naar streeft, dient men zich altijd Śrī Kṛṣṇa en de dierbare gopī’s van Vraja te heugen en Śrī Śrī Rādhā-Kṛṣṇa voortdurend te dienen.
   Terwijl men steeds onder leiding van rasika bhakta’s verzonken in de gemoedsgesteldheid van Vraja in Vraja verblijft, dient men altijd over de naam, gedaante, eigenschappen en het spel en vermaak van Śrī Kṛṣṇa te horen, ze te bezingen en zich te heugen. Dat is de bhajana-methode voor sādhaka’s op het pad van rāgānugā-bhakti. Van alle aṅga’s van bhakti, zoals śravaṇa en kīrtana beschreven in relatie tot vaidhī-bhakti, kunnen die welke zich lenen voor het ontwikkelen van de eigen speciale gemoedsgesteldheid eveneens op het pad van rāgānugā-sādhana worden benut.
   Het is van wezenlijk belang te weten dat in het hart van de sādhaka die de aanwijzingen volgt die Śrī Caitanya Mahāprabhu aan de jīva’s van deze wereld heeft gegeven zich plotseling een sterke hunkering naar het volgen van het rāgānugā-pad zal voordoen. Śrī Caitanyadeva beoefende, verkondigde en proefde alleen die bhajana, welke wordt ondernomen via de rāga-mārga. Als de jīva’s met groot geluk de omgang hebben met de dierbare metgezellen van Śrī Gaurāṅgadeva, zullen ze beslist steeds meer gaan hunkeren naar de gemoedsgesteldheid van de eeuwige inwoners van Vraja. Totdat ze die omgang ontvangen, volgen de meeste sādhaka’s de vaidhī-bhakti-methode en dat is beslist nodig.
   Door zijn heil te zoeken bij de lotusvoeten van Śrī Caitanyadeva belandt men onvermijdelijk op de rāga-mārga. Sādhaka’s die er gretig naar verlangen de rāga-mārga te begaan, moeten eerst de sādhana van rāgānugā-bhakti beoefenen. De kwalificatie, die is vereist voor rāgānugā-bhakti is zeer hoog. Wanneer een hunkering naar de gemoedsgesteldheid van de eeuwige inwoners van Vraja ontwikkelt, verliest men zijn gevoel voor de dingen van deze wereld en raakt men verlost van vrome en zondige activiteiten, karma (vruchtdragende actie), akarma (inactie), vikarma (verboden actie), vairāgya (niet-toegwijde verzaking), jñāna (het cultiveren van kennis gericht op onpersoonlijke bevrijding), en de aantrekkingskracht voor het beoefenen van mystieke yoga.
   In vaidhī-mārga ontwikkelt men eerst śraddhā. Dan verwerft men zich sādhu-saṅga. Vervolgens raakt men door bhajana-beoefening bevrijd van anartha’s. Geleidelijk aan ontwikkelt men dan niṣṭhā, ruci, āsakti en bhāva. Langs deze weg komt men pas na zeer lange tijd tot bhāva. Maar wanneer er zich een hunkering ontwikkelt, raken als gevolg van het niet meer hunkeren naar materieel zingenot alle anartha’s heel makkelijk vernietigd. Bhāva komt gelijk op met deze hunkering. In rāga-mārga is het van wezenlijk belang om alle valsheid, bedrog en prestigedrang af te werpen. Doet men dat niet, dan nemen de anartha’s toe en raakt men hachelijk uit de koers. In dat geval zal men lagere gehechtheid of rāga voor viśuddha-rāga of zuivere gehechtheid aanzien. Geleidelijk versterkt zich dan de omgang met de materie en de sādhaka komt ten val.
   De betekenis van rāgānugā-bhakti is hier rūpānuga-bhakti. Zonder rūpānuga of een volgeling van Śrī Rūpa Gosvāmī te worden kan men onmogelijk het pad van rāgānugā-bhakti betreden. Als iemand het grote geluk treft dat hij er intens naar verlangt het pad van rāgānugā-bhakti te betreden, dient hij beslist deze Manaḥ-śikṣā van Śrī Dāsa Gosvāmī, de voornaamste volgeling van Śrī Rūpa Gosvāmī, te bestuderen en na te leven.

Een beknopte levensbeschrijving van Śrī Raghunātha dāsa Gosvāmī

Śrī Raghunātha dāsa Gosvāmī kwam omstreeks 1494 ter wereld in een aanzienlijke en fabelachtig rijke familie van kāyastha grootgrondbezitters in het dorp Kṛṣṇapura (Saptagrāma) in het district Hugalī in West Bengalen. Zijn vader was Śrī Govardhana Majumadāra. De oudere broer van Śrī Govardhana heette Hiraṇya Majumadāra. Hoewel beide broers rijke grootgrondbezitters waren, waren ze diepreligieus en hadden ze een groot geloof in de Vaiṣṇava sādhu’s, die ze diep respecteerden. De beroemde toegewijde van Heer Gaura en de ācārya van de heilige naam, Śrī Haridāsa Ṭhākura, bracht regelmatig een bezoek aan hun koninklijk hof. Hun guru en hofpriester, Śrī Yadunandana Ācārya, was een intieme leerling van Śrī Advaita Ācārya en een hartsvriend van Haridāsa Ṭhākura. Yadunandana Ācārya was de dīkṣā guru van Śrīla Raghunātha dāsa.
   In zijn kinderjaren ontving Raghunātha dāsa de omgang van zuivere toegewijden zoals Śrī Haridāsa Ṭhākura en Śrī Yadunandana Ācārya en in zijn jongensjaren ontmoette hij Śrī Nityānanda Prabhu en diens metgezellen. Deze omgang was van diepe invloed op zijn ontwikkeling van zuivere bhakti. Al zeer gauw zag hij af van een rijkdom vergelijkbaar met die van Indra en van het huwelijk met een vrouw zo mooi als een hemelse godin. Hij ging naar Purī-dhāma en gaf zich over aan de lotusvoeten van Śrī Caitanya Mahāprabhu, die hem toevertrouwde aan de zorg van Zijn tweede zelf, Śrī Svarūpa Dāmodara. Sindsdien kende men hem als “Svarūpera Raghu”” of de Raghu van Svarūpa en door diens genade verkreeg hij de bekwaamheid om vertrouwelijke dienst aan Śrī Gaurasundara te verlenen. Zeer voldaan over zijn onwankelbare toewijding aan bhajana en zijn voorbeeldige verzaking, schonk Śrī Gaurasundara hem de bekwaamheid om Śrī Giridhārī te dienen in de gedaante van een govardhana-śilā en Śrī Rādhikā in de gedaante van een guñja-mālā.
   Toen Śrī Gaurasundara Zijn spel en vermaak aan het oog der wereld onttrok, raakte Śrī Raghunātha dāsa overweldigd door intense gescheidenheid. Hij verliet Purī-dhāma en ging naar Vṛndāvana met de bedoeling er een eind aan zijn leven te maken door zich van de top van Śrī Govardhana Heuvel te gooien. Aldaar echter brachten Śrī Rūpa en Sanātana Gosvāmī hem ertoe dat idee op te geven door hem te bedelven onder de nectar van hun genade en hun zoete kṛṣṇa-kathā. Vanaf die tijd werd hij hun derde broer en bleef hij wonen aan de oever van Śrī Rādhā-kuṇḍa.
   Te Rādhā-kuṇḍa verzonk hij in strenge, ontaarde verzaking diep in de verering van Śrī Rādhā-Govinda in de gemoedsgesteldheid van gescheidenheid. Terwijl hij op dat niveau bhajana bedreef, ging hij op de gevorderde leeftijd van circa honderd jaar binnen in het ongeopenbaarde spel en vermaak van Śrī Yugala door zich in Śrī Rādhā-kuṇḍa neer te laten. In vraja-līlā wordt hij geacht Rati Mañjarī te zijn. In het Śrī Caitanya-caritāmṛta (Ādi- līlā 10.98–102), beschrijft Śrī Kṛṣṇadāsa Kavirāja Gosvāmī de bhajana-methode van Śrī Raghunātha dāsa Gosvāmī als volgt:

anna-jala tyāga kaila anya-kathana
pala dui-tina māṭhā karena bhakṣaṇa

sahasra daṇḍavat kare, laya lakṣa nāma
dui sahasra vaiṣṇavere nitya paraṇāma

rātri-dine rādhā-kṛṣṇera mānasa sevana
prahareka mahāprabhura caritra-kathana

tina sandhyā rādhā-kuṇḍe apatita snāna
vraja-vāsī vaiṣṇave kare āliṅgana māna

sārdha sapta-prahara kare bhaktira sādhane
cāri daṇḍa nidrā, seha nahe kona-dine

Toen Śrī Raghunātha dāsa Gosvāmī naar Vraja kwam, vestigde hij zich in opdracht van Śrī Rūpa en Sanātana Gosvāmī te Rādhā-kuṇḍa en raakte in bhajana verzonken met een intens gevoel van gescheidenheid. Hij at en dronk praktisch niet meer. Om in leven te blijven nam hij dagelijks niet meer dan een kommetje karnemelk tot zich. Hij mengde zich nooit in gesprekken die niets met kṛṣṇa-kathā te maken hadden. Bij wijze van regulerend principe bracht hij elke dag duizend daṇḍavats aan Śrī Nanda-nandana, Śrīmatī Vṛṣabhānu-nandinī, de eeuwige metgezellen in Hun spel en vermaak en de oorden van Hun goddelijke līlā. Hij bracht ook tweeduizend praṇāma’s aan verschillende Vaiṣṇava’s en chantte honderdduizend heilige namen. Hij liet zijn geest altijd opgaan in Śrī Rādhā-Kṛṣṇa’s dienst. Elke dag sprak hij drie uur over het spel en vermaak van Śrīman Mahāprabhu, baadde zich driemaal in Śrī Rādhā-kuṇḍa en omhelsde de Vrajavāsī Vaiṣṇava’s geregeld. Zo bedreef hij twee-en-twintig-en-een-half uur per etmaal bhakti. Hij sliep op die manier maar anderhalf uur en soms helemaal niet.

   Hij heeft drie zeer beroemde boeken geschreven: (1) Śrī Stavāvalī, (2) Śrī Dāna-carita (Dāna-keli-cintāmaṇi) en (3) Śrī Muktā-carita. Het huidige boek, Śrī Manaḥ-śikṣā, maakt deel uit van Śrī Stavāvalī, een verzameling stava’s en stuti’s van zijn hand.

Śrīla Bhaktivinoda Ṭhākura, auteur van het commentaar getiteld Śrī Bhajana-darpaṇa

Śrī Saccidānanda Bhaktivinoda Ṭhākura, de eeuwige metgezel van Śrī Gaurasundara, bracht in dit moderne tijdperk, waarin bijna iedereen verslaafd is aan materieel genot en omlaag getrokken wordt door de schittering van materiële kennis, de zuivere bhakti opnieuw aan het stromen. Hij heeft op de verzen van Śrī Manaḥ-śikṣā een commentaar geschreven, dat geworteld is in diep filosofische conclusies en vol rasa is. In zijn commentaar analyseert hij uiterst zorgvuldig ieder vers in relatie tot rāgānugā-bhakti of rūpānuga-bhakti. Geruggesteund door citaten uit Śrī Bhakti-rasāmṛta-sindhu, Ujjvala-nīlamaṇī, Stava-mālā, Stavāvalī en verdere Gosvāmī-literatuur, gaf hij de essentiële bhajana-methode aan waarmee rāgānugā-sādhaka’s hun voordeel doen. Alle rāgānuga-sādhaka’s zullen voor dit buitengewone geschenk voor eeuwig bij hem in het krijt staan.
   Śrīla Bhaktivinoda Ṭhākura is een vertrouwelijke metgezel van Śacīnandana Śrī Gaurasundara, die getooid is met de tint en bhāva van Śrī Rādhā en die de gevallen zielen van het Kali-tijdperk verlost. Śrī Bhaktivinoda kwam ter wereld om śrī harināma-saṅkīrtana te verspreiden en zuivere bhakti te verkondigen, met name rūpānuga (rāgānugā) bhakti, en aldus het hartsverlangen van Śrī Caitanya Mahāprabhu te vervullen. Hij verscheen op 2 september 1838 in een zeer intellectuele en aanzienlijke familie in een dorp genaamd Vīrangara vlakbij Śrī Māyāpura in het district Śrī Navadvīpa-dhāma, West Bengalen. Hij ging op 23 juni 1914 van deze wereld heen in de stad Calcutta. Hij schreef ongeveer honderd boeken over bhakti in het Sanskrit, Bengaals, Hindi, Engels, Oriya en andere talen. Om deze reden hebben verlichte personen hem de “Zevende Gosvāmī” en de Bhāgīratha* die in het moderne tijdperk de bhakti-gaṅgā (rivier van bhakti) aan het stromen bracht genoemd.
  Hij bracht de plek aan het licht, de yoga-pīṭha in Śrī Māyāpura, waar Śrī Gaurāṅga verscheen en kreeg ook Śrīla Bhaktisiddhānta Sarasvatī als zoon. Verder heeft hij door zijn invloedrijke en onberispelijke voordrachten, artikelen en boeken over zuivere bhakti, en door het vestigen van śrī nāma-hāṭta, de marktplaats van de heilige naam, in iedere stad en in ieder dorp, het fundament gelegd voor de brede verspreiding van rūpānuga-bhakti overal ter wereld. Het gevolg daarvan is tegenwoordig alom zichtbaar. De geluidsvibratie van het gezamenlijk chanten van de heilige namen van Gaura en Kṛṣṇa weerklinkt in iedere uithoek van de wereld en zelfs in ver afgelegen landen in het Westen en het Oosten zijn rijke tempels gebouwd.
   Mijn hoogst vererenswaardige gurudeva, Śrī Śrīmad Bhakti Prajñāna Keśava Gosvāmī Mahārāja, is een beschermer van de Śrī Gauḍīya-sampradāya en stichter-ācārya van de Śrī Gauḍīya Vedānta Samiti en van de Gauḍīya tempels die onder de Samiti opereren. Hij publiceerde niet alleen eigen boeken maar publiceerde ook opnieuw de boeken van Śrīla Bhaktivinoda Ṭhākura en andere voorgaande ācārya’s in het Bengaals. Als gevolg van zijn innig verlangen, zijn inspiratie en zijn grondeloze genade zijn thans Jaiva-dharma, Śrī Caitanya-śikṣāmṛta, Śrī Caitanya Mahāprabhura-śikṣā, Śrī Śikṣāṣṭaka en andere boeken in de nationale taal van India, het Hindi, gepubliceerd, terwijl andere titels nog zullen verschijnen.
   De huidige voorzitter en ācārya van de Śrī Gauḍīya Vedānta Samiti, mijn hoogst vererenswaardige godbroeder Śrī Bhaktivedānta Vāmana Mahārāja, gaat op in bovenzinnelijke kennis en is een intieme dienaar van de lotusvoeten van onze gurudeva. Ik bid in alle nederigheid tot zijn lotusvoeten dat hij zo goed wil zijn dit waardevolle boek, Śrī Manaḥ-śikṣā, in de lotushanden van onze dierbare gurudeva te leggen en zo zijn innig hartverlangen in vervulling te doen gaan.
   Ik ben er volkomen van overtuigd dat toegewijden die diep naar bhakti hunkeren, met name rāgānugā-sādhaka’s die het stof van Vṛndāvana begeren, dit boek geweldig zullen waarderen. Gelovigen die het bestuderen zullen daardoor het niveau bereiken waarop ze de prema-dharma van Śrī Caitanya Mahāprabhu mogen binnengaan. Tot slot, moge onze hoogst vererenswaardige gurudeva, die de geconcentreerde manifestatie van het mededogen van de Heer is, een hoos van genade over ons uitstorten, en ons in staat stellen om een grotere en grotere bekwaamheid te krijgen om zijn hartsverlangen tot vervulling te brengen. Zo luidt ons doorvoeld gebed aan zijn lotusvoeten, die kṛṣṇa-prema schenken.

Een aspirant voor een sprankje genade
van Śrī Hari, Guru en de Vaiṣṇava’s,
nederig en onbeduidend,

Tridaṇḍi-bhikṣu Śrī Bhaktivedānta Nārāyaṇa

Śrī Guru-pūrṇimā
13 juli, 1984
Mathurā, Uttar Pradesh, India

* Mahārāja Bhāgīratha is de persoonlijkheid van weleer, die door de kracht van zijn boetedoeningen de heilige Ganges Rivier naar de aarde overbracht.  Dit wordt beschreven in Śrīmad-Bhāgavatam, Canto Negen, Hoofdstuk 9.

Op houseofbhakti worden soms termen en begrippen gebruikt die misschien niet direct helemaal duidelijk zijn. Daarom vindt u in het menu About Us een handige verklarende woordenlijst (Glossary).

Image/Art made possible by Pixabay.com & Krishnapath.org

error: Content is protected !!