Maṅgalācaraṇa

(oṁ) ajñāna-timirāndhasya
jñānāñjana-śalākayā
cakṣur unmīlitaṁ yena
tasmai śrī-gurave namaḥ

Ik buig me eerbiedig neer voor de geestelijk leraar, die met de fakkel der kennis mijn ogen geopend heeft, die verblind waren door het duister der onwetendheid.

vāñchā-kalpa-tarubhyaś ca
kṛpā-sindhubhya eva ca
patitānāṁ pāvanebhyo
vaiṣṇavebhyo namo namaḥ

Ik buig me eerbiedig neer voor de Vaiṣṇava’s, die ieders wensen in vervulling kunnen laten gaan, zoals wensbomen dat kunnen en die vol mededogen zijn voor de gebonden zielen.

namo mahā-vadānyāya
kṛṣṇa-prema-pradāya te
kṛṣṇāya kṛṣṇa-caitanya-
nāmne gaura-tviṣe namaḥ

Ik breng praṇāma aan Śrī Caitanya Mahāprabhu, die Kṛṣṇa Zelf is. Hij heeft de gouden tint van Śrīmatī Rādhikā aangenomen en deelt vrijgevig kṛṣṇa-prema uit.

he kṛṣṇa karuṇā-sindho
dīna-bandho jagat-pate
gopeśa gopikā-kānta
rādhā-kānta namo ‘stu te

Ik breng praṇāma aan Śrī Kṛṣṇa, die een oceaan van genade is, de vriend van de verdrukten en de oorsprong van de ganse schepping. Hij is de meester van de gopa’s, en de minnaar van de gopī’s met Śrīmatī Rādhikā voorop.

tapta-kāñcana-gaurāṅgi
rādhe vṛndāvaneśvari
vṛṣabhānu-sute devi
praṇamāmi hari-priye

Ik breng praṇāma aan Śrīmatī Rādhikā, wier huid is als gesmolten goud, de vorstin van Vṛndāvana. Ze is de dochter van Vṛṣabhānu Mahārāja en Ze is Kṛṣṇa uiterst lief.

hā devi kāku-bhara-gadgadayādya vācā
yāce nipatya bhuvi daṇḍavad udbhaṭārtiḥ
asya prasādam abudhasya janasya kṛtvā
gāndharvike nija-gane gaṇanāṁ vidhehi

O Devi Gāndharvikā, in opperste wanhoop werp ik me als een stok ter aarde en smeek U nederig met verstikte stem of U deze dwaas alstublieft zo genadig wilt zijn dat U hem tot een van de Uwen wilt rekenen.

aṅga-śyāmalima-cchaṭābhir abhito mandīkṛtendīvaraṁ
jāḍyaṁ jāguḍa-rociṣāṁ vidadhataṁ paṭṭāmbarasya śriyā
vṛndāraṇya-nivāsinaṁ hṛdi lasad-dāmābhir āmodaraṁ
rādhā-skandha-niveśitojjvala-bhujaṁ dhyāyema dāmodaram

Ik mediteer op die Śrī Dāmodara, wiens donkere huidglans miljoenen malen zo mooi is als de blauwe lotus, wiens stralende gele kleren de schittering van gouden kuṅkuma tenietdoen, wiens woning Śrī Vṛndāvana-dhāma is, wiens borst verlucht is met een bengelende vaijayantī-krans en wiens luisterrijke linkerhand op de rechterschouder van Śrīmatī Rādhikā rust.

bhaktyā vihinā aparādha-lakṣyaiḥ
kṣiptāś ca kāmādi taraṅga madhye
kṛpā-mayi tvaṁ śaraṇaṁ prapannā
vṛnde numaste caraṇāravindam

Van toewijding verstoken en schuldig aan het begaan van talloze overtredingen, word ik door de woelige baren van lust, woede, hebzucht enzovoort rondgesmeten in de oceaan van het materiële bestaan. O genadige Vṛndādevī, daarom zoek ik mijn heil bij u en breng praṇāma aan uw lotusvoeten.

gurave gauracandrāya
rādhikāyai tad-ālaye
kṛṣṇāya kṛṣṇa-bhaktāya
tad-bhaktāya namo namaḥ

Ik breng praṇāma aan de geestelijk leraar, aan Śrī Gauracandra, aan Śrīmatī Rādhikā en Haar metgezellen, aan Śrī Kṛṣṇa en Zijn toegewijden en aan alle Vaiṣṇava’s.

vairāgya-yug-bhakti-rasaṁ prayatnair
apāyayan mām anabhīpsum andham
kṛpāmbudhir yaḥ para-duḥkha-duḥkhī
sanātanas taṁ prabhum āśrayāmi

Ik was onwillig de nectar van bhakti te drinken, die vol verzaking is, maar Śrī Sanātana Gosvāmī, die een oceaan van genade is die de ellende van anderen niet verdragen kan, bracht me tot drinken. Daarom aanvaard ik hem als mijn meester.

śrī-caitanya-mano-’bhīṣṭaṁ
sthāpitaṁ yena bhūtale
svayaṁ rūpaḥ kadā mahyaṁ
dadāti sva-padāntikam

Wanneer zal Śrī Rūpa Gosvāmī, die in deze wereld de missie gevestigd heeft die het innerlijk verlangen van Śrī Caitanya Mahāprabhu vervult, me de beschutting van zijn lotusvoeten schenken?

yaṁ pravrajantam anupetam apeta-kṛtyaṁ
dvaipāyano viraha-kātara ājuhāva
putreti tan-mayatayā taravo ’bhinedus
taṁ sarva-bhūta-hṛdayaṁ munim ānato ’smi

Ik breng praṇāma aan Śrī Śukadeva Gosvāmī, die het hart van alle levende wezens kan binnengaan. Toen hij zonder het ondergaan van enige louteringsrite, zoals aanvaarding van de heilige draad, het ouderlijk huis verliet, riep zijn vader Vyāsa, “Ach, mijn zoon!” Als opgeslokt in diens gevoel van gescheidenheid echoden de bomen hem die woorden na.

tavaivāsmi tavaivāsmi
na jīvāmi tvayā vinā
iti vijñāya devi tvaṁ
naya māṁ caraṇāntikam

Ik ben de Uwe! Ik ben de Uwe! Zonder U kan ik niet leven! O Devī (Rādhā), begrijp dat alstublieft en leid me naar Uw voeten.

Hoofdstuk Een

man-manā bhava

Denk onophoudelijk aan Mij

Onlangs moesten we, omdat Bhagavān het zo wilde, een poosje weg uit Vṛndāvana, maar waar we ook heen gaan, altijd denken we aan Vṛndāvana. De geschriften beschrijven tal van geestelijke oorden, maar in het hele heelal vindt u nergens een plek zoals Vṛndāvana. Wie de heerlijkheid van Vṛndāvana kent, zal dat begrijpen en vooral iemand die de genade van Vṛndāvana heeft ontvangen, zal het begrijpen. In zijn Śrī Vṛndāvana-mahimāmṛta schrijft Śrīla Prabhodānanda Sarasvatī dat Vṛndāvana alles voor ons is, niet alleen het dorp Vṛndāvana maar de hele Vraja-maṇḍala. Vooral Nandagrāma, Varsāṇā, Rādhā-kuṇḍa, Śyāma-kuṇḍa, Girirāja Govardhana: die horen allemaal bij Vṛndāvana. Śrī Kṛṣṇa en Zijn eeuwige metgezellen hebben er hun volstrekt unieke spel en vermaak bedreven.
Wie daar iets van begrijpen wil, heeft daarvoor als basis het onderricht van de Bhagavad-gītā nodig. Op dat fundament rust het paleis van het Śrīmad-Bhāgavatam met zijn twaalf woonlagen. Er zijn negen woonlagen of canto’s die lager zijn, twee woonlagen of canto’s zijn hoger en daartussenin bevindt zich de tiende woonlaag, het Tiende Canto. Daarin vindt men negentig verschillende kuñja’s, de hoofdstukken van het Tiende Canto. En in het hart daarvan zijn vijf speciale ruimten, namelijk de vijf hoofdstukken die de rāsa dans beschrijven, waar Śrī Rādhā en Kṛṣṇa het amoureuze spel en vermaak met elkaar genieten. De indruk wordt gewekt dat Rādhikā Kṛṣṇa dient, maar in werkelijkheid dient Kṛṣṇa Haar. Zolang we het fundament van het onderricht van de Bhagavad-gītā ontberen, bekijken we deze zaken met een werelds oog en daardoor gaat alles teniet.

In de Gītā (18.65) treffen we het volgende vers aan:

man-manā bhava mad-bhakto
mad-yājī māṁ namaskuru
mām evaiṣyasi satyaṁ te
pratijāne priyo ’si me

Laat je geest en hart in Mij opgaan, word Mij toegewijd, vereer Me, breng Me je praṇāma en zeker zul je tot Me komen. Dat beloof Ik je omdat je Me zeer dierbaar bent.

Dat is de beste van alle verzen van de Bhagavad-gītā. We moeten niet denken dat het daaropvolgende vers het beste is (18.66):

sarva-dharmān parityajya
mām ekaṁ śaraṇaṁ vraja
ahaṁ tvāṁ sarva-pāpebhyo
mokṣayiṣyāmi mā śucaḥ

Laat alle vormen van religiositeit varen – werelds, bovenwerelds, fysiek, mentaal, varṇāśrama-dharma, de verering van goden en godinnen, en zelfs de verering van Nārāyaṇa en Dvārakādhīsā – en zoek je toevlucht alleen bij Mij.

Hoewel dat het laatste vers is en Kṛṣṇa ons voorhoudt onze dharma te verzaken, kunnen we nog denken dat er een negatieve terugslag op volgen kan. Maar Kṛṣṇa zegt, “Ik neem de verantwoordelijkheid op Me. Ik vergeef je al je zonden.” Wanneer we onze ouders laten huilen, onze broers en zusters en verdere familie, wanneer een vrouw haar man laat huilen, een man zijn vrouw, wanneer we onze plicht tegenover de samenleving niet nakomen en ons niet aan de varṇāśrama-dharma houden, is dat allemaal adharma, onreligieus, en iedereen die zo handelt krijgt er een negatieve terugslag van. Maar Kṛṣṇa zegt, “Ik beloof je dat Ik je dadelijk van elke negatieve terugslag zal verlossen.”

Het vers dat we hier behandelen, “man-manā bhava…”, is nog beter dan dit vers. Het vers “sarva-dharmān parityajya..” leert ons hoe we tot śaraāgati, devotionele overgave, moeten komen, maar dit vers schenkt ons de vrucht van die overgave en is daarom nog verhevener.
Wanneer we de Gītā grondig lezen en daarbij vooral het commentaar van onze ācārya’s bestuderen, zien we dat de Bhagavad-gītā vijf niveaus van onderricht kent. Eerst zijn er de algemene aanwijzingen voor iedereen. Dan krijgen we geheim (guhya), vervolgens nog geheimer (guhyatara), dan het geheimste (guhyatama), en ten slotte het allergeheimste (sarva-guhyatama). Dit onderricht wordt niet uitgebreid gegeven maar in de vorm van bondige verzen (sūtra’s).

sarvopaniṣado gāvo
dogdhā gopāla nandanaḥ
pārtho vatsaḥ sudhīr bhoktā
dughdhaṁ gītāmṛtaṁ mahat

Bhagavad-gītā-māhātmyam (5)

Alle geschriften – de Veda’s, Purāṇa’s, de Upaniṣads – zijn als een koe en Arjuna is het kalf. Eerst laat de koe haar kalf wat drinken en voelt zich daardoor voldaan. Dan kan Śrī Kṛṣṇa haar komen melken en die overgebleven melk houdt Hij apart. Voor wie is die overgebleven melk? Voor diegene die sudhī zijn, zuivere intelligentie beschikken. Wie beschikt over zuivere intelligentie? De grote onderzoekers en de grote geleerden van deze wereld? Dat is niet wat het Bhāgavatam zegt. Dat geeft ons het woord sumedhaḥ. Wie is er sumedhaḥ? Iemand die bhagavad-bhajana doet, de Allerhoogste Heer Śrī Kṛṣṇa vereert, en die rasika is, expert is in het genieten van rasa*. Iemand voor wie is komen vast te staan dat opgaan in bhagavad-bhajana de essentie van het leven is, bezit zuivere intelligentie en alle anderen zijn dwaas.
In welk opzicht zijn ze dwaas? Go-kharaḥ – onder de dieren is de ezel de dwaas. Toen we laatst uit Delhi terugkwamen zagen we een hond op een ezel zitten rondkijken. De ezel sjokte verder alsof er niets aan de hand was. Daarom is de ezel een grote dwaas. De mensen laden al hun rommel en lasten op de ezel en die sjouwt ermee. Hij doet geen enkel werk met zijn voorpoten maar alles met zijn achterpoten, bijvoorbeeld wanneer hij een trap wilt uitdelen. Als je tegen hem zegt dat hij vooruit moet, gaat hij achteruiten als je zegt dat hij achteruit moet, gaat hij vooruit. Zo’n dwaas is hij en mensen die geen bhajana voor Bhagavān doen zijn net zo dwaas. En wie is er intelligent? Alleen zij die opgaan in bhagavad-bhajana.
Wanneer de koe haar kalf een beetje heeft laten drinken, bewaart Kṛṣṇa de rest van de melk in een kruik voor de sudhī, de zuiver intelligenten, die Hem dierbaar zijn. Tot aan dit punt staat de melk voor het onderricht van de Gītā, maar er is nog meer: op de melk ligt de essentie, de room. Karn die room, dan krijg je hele zachte mooie boter. Tegelijk met de boter komt er enige verontreiniging. Zet de boter op het vuur en wat houden we ten slotte over? Geklaarde boter, ghee. Van ghee kunnen we niets anders meer maken. Dat is de essentie.
Vyāsa gaf Śukadeva de room en zei tegen hem, “Karnen, mijn jongen.” Śukadeva nam een karnstok en karnde langzaam tot de room in boter veranderde. Die boter deelde hij uit in de vorm van de eerste negen canto’s van het Bhāgavatam, maar sommige mensen zeiden, “Wij hoeven geen boter, wij willen alleen de essentie van de boter.” Aan hen gaf hij toen de rest van het Bhāgavatam en daarom is de rest van het Bhāgavatam zo veel grootser. Wat hij in het Bhāgavatam schonk lijkt nergens in de Veda’s en de Upaniṣads te vinden, maar in feite is het er wel. Zoals de ghee overal door de melk zit, zit die essentie in de Gītā, de Upaniṣads, de Veda’s, de Purāṇa’s en het Rāmāyaṇa. Maar die melk nemen en dan boter maken en ten slotte ghee is niet zo eenvoudig. In het Śrīmad-Bhāgavatam vormen de vijf hoofdstukken die de rāsa-līlā beschrijven, de Gopī-gīta, de Bhramara-gīta (waarin Rādhā in de waanzin van Haar gescheidenheid van Kṛṣṇa met een hommel praat) en de Uddhava-sandeśa (waarin Uddhava door Kṛṣṇa met een boodschap voor de gopī’s naar Vṛndāvana wordt gestuurd) de mooie ghee die er gemaakt wordt. En aan wie heeft hij haar in deze wereld gegeven? Hij gaf haar niet aan ongeschikte mensen, maar enkel en alleen aan geschikte.

Tot gewone mensen zegt Bhagavān Śrī Kṛṣṇa:

yuktāhāra-vihārasya
yukta-ceṣṭasya karmasu
yukta-svapnāvabodhasya
yogo bhavati duḥkha-hā

Bhagavad-gītā (6.17)

Eet niet te veel en slaap niet te veel en houd maat in werk en vermaak, anders zul je niet tot die zeldzame yoga kunnen komen waardoor de ziel haar Schepper ontmoet. Met zulk algemeen onderricht leert Hij ons dat we niet ons lichaam zijn. Wees onthecht van de verlangens van het lichaam en handel er niet naar.

jātasya hi dhruvo mṛtyur
dhruvaṁ janma mṛtasya ca

Bhagavad-gītā (2.27)

Wie geboren is komt zeker te sterven en zal nadien zeker worden wedergeboren. Arjuna huilde omdat hij niemand wilde zien doodgaan – zijn zoon, vrouw, familie, vrienden – en ook wij moeten daarom huilen.

aśocyān anvaśocas tvaṁ
prajñā-vādāṁś ca bhāṣase
gatāsūn agatāsūṁś ca
nānuśocanti paṇḍitāḥ

Bhagavad-gītā (2.11)

Wijzen wanhopen om de levenden noch om de gestorvenen. Iedereen komt te sterven en wie vandaag niet gaat, zal morgen of overmorgen gaan. Huil niet om ze, wanhoop niet, want in het lichaam woont de ziel.

nainaṁ chindanti śastrāṇi
nainaṁ dahati pāvakaḥ
na cainaṁ kledayanty āpo
na śoṣayati mārutaḥ

Bhagavad-gītā (2.23)

De ziel kan niet door enig wapen worden gekwetst, door vuur verzengd, door water doordrenkt, door de wind verdroogd. De ziel is eeuwig maar het lichaam sterfelijk, dus maak je er niet druk om.

Ja, we kunnen ons er wel als volgt druk om maken: als we verlicht raken en beseffen dat Bhagavān ons dit lichaam gegeven heeft als een tempel, om er bhajana in te doen, dan moeten we ervoor zorgen. We moeten het schoon houden en oplappen, anders kunnen we geen bhajana doen. Tot op dat punt is voor het lichaam zorgen mooi, maar het moet wel gebeuren met een onthechte instelling. Bhagavān zal er een keer om vragen en dan moeten we het teruggeven. Hij zal zeggen, “Ik heb je zo’n zeldzaam en kostbaar mensenlichaam gegeven. Wat heb je ermee gedaan?”

Daarvoor heeft Hij verzen uitgesproken zoals:

yā niśā sarva-bhūtānāṁ
tasyāṁ jāgarti saṁyamī
yasyāṁ jāgrati bhūtāni
sā niśā paśyato muneḥ

Bhagavad-gītā (2.69)

Waar gewone mensen slapen, is de wijze met zijn zelfrealisatie klaarwakker. En waar de wijze slaapt, zijn de mensen wakker in de weer met hun zinsbevrediging. Daarom moet je alleen maar bhagavad-bhajana bedrijven, geluk en verdriet als hetzelfde beschouwen en doorgaan met het vervullen van je plicht. Het algemene onderricht gaat tot hier.

Dan volgt guhya, het geheime onderricht, namelijk brahma-jñāna. De ziel (ātmā) is brahma, geestelijke substantie.

sthita-prajñasya kā bhāṣā
samādhi-sthasya keśava
sthita-dhīḥ kiṁ prabhāṣeta
kim āsīta vrajeta kim

Bhagavad-gītā (2.54)

Arjuna vraagt, “Waaraan kent men iemand wiens geest verankerd is in het begrip van het zelf? Hoe praat hij, hoe zit hij en hoe loopt hij?”

In de achttiende hoofdstuk wordt het eindantwoord gegeven:

brahma-bhūtaḥ prasannātmā
na śocati na kāṅkṣati
samaḥ sarveṣu bhūteṣu
mad-bhaktiṁ labhate parām

Bhagavad-gītā (18.54)

Wie zich in Brahman bevindt, bekijkt alles met geestelijke blik en denkt, “Ook ik ben Brahman.” Zo denkend zal hij op Brahman mediteren en geluk noch verdriet meer ervaren. Hij blijft evenwichtig onder alle omstandigheden en verenigt zijn bewustzijn met Brahman.

karmaṇy evādhikāras te
mā phaleṣu kadācana

Bhagavad-gītā (12.5)

Ga voort met je plichtsvervulling en verlang niet naar de vruchten van je werk. Dat is, simpel gezegd, brahma-jñāna.

Daarna komt guhyatara, geheimer, en dat is paramātmā-jñāna, kennis van de Superziel. Er zijn twee soorten wezens, feilbaar (kṣaraḥ) en onfeilbaar (akṣaraḥ) en dan is er ook nog Puruṣottama. Bhagavān is Puruṣottama, die ter grootte van een duim in het hart van ieder schepsel woont. Mediteer op Hem en bereik je Hem niet, probeer het dan weer. Lukt het dan nog niet, blijven proberen.

kleśo ‘dhikataras teṣām
avyaktāsakta-cetasām

Bhagavad-gītā (12.5)

Dat vormloze Brahman waar Ik het eerder over had – ga daar niet heen! Kijk uit! Je maakt het je alleen maar moeilijker door te proberen je bewustzijn aan iets vormloos te hechten. Mediteer liever op Paramātmā in het hart. Wie zich met Hem weet te verbinden is een ware sannyāsī en een ware yogī.

sa sannyāsī ca yogī ca
na niragnir na cākriyaḥ

Bhagavad-gītā (6.1)

Louter met vuuroffers of door “ahaṁ brahmāsmi” te mompelen wordt men geen goede sannyāsī. Dat is allemaal guhyatara, geheimere kennis.

En guhyatama, het geheimste, wordt in het negende hoofdstuk geopenbaard. Daar wordt zuivere bhakti onderricht, zij het verstoken van rasa. Hoe zuiver ook, die bhakti is zonder rasa.

Aan het eind van het achttiende hoofdstuk wordt sarva-guhyatama, het allergeheimste geheimenis, onthuld. Dat is vol rasa en het toppunt van bhakti:

sarva-guhyatamaṁ bhūyaḥ
śṛṇu me paramaṁ vacaḥ
iṣṭo ’si me dṛḍham iti
tato vakṣyāmi te hitam

man-manā bhava mad-bhakto
mad-yājī māṁ namaskuru
mām evaiṣyasi satyaṁ te
pratijāne priyo ’si me

Bhagavad-gītā (18.64-65)

“Omdat je Me uiterst dierbaar bent, onthul Ik je dit allerverborgenste onderricht.” Wat houdt dat onderricht in? Hiervoor heeft Kṛṣṇa onderricht gegeven tot het punt van de verering van Nārāyaṇa, dat wil zeggen verering van Bhagavān in het bewustzijn van Zijn majesteit. Maar in het onderhavige vers worden vier buitengewone activiteiten beschreven. De eerste is man-manā bhava, denk onophoudelijk aan Mij; de tweede is mad-bhakto, wees Mij toegewijd; de derde is mad-yājī, aanbid Me; en de vierde is māṁ namaskuru, breng Me je praṇāma. Als je het eerste niet kunt doen, doe dan het tweede. Kun je dat niet, doe dan het derde. Kun je dat niet, breng dan alleen je praṇāma en daaruit zal al het andere voortvloeien.
We zullen het nu hebben over het eerste onderdeel van dit vers: “man-manā bhava – laat je geest en hart in Mij opgaan.” Dat is niet zo eenvoudig. Als we onze geest in welke activiteit ook maar willen laten opgaan, moeten we onze ogen, oren, neus en alle zinnen er volkomen op richten. Als de geest zich ergens niet op kan concentreren, is hij min of meer onbeteugeld. De ene keer mijmert onze geest over zinsbevrediging, dan weer denken we aan Kṛṣṇa. Dat is de staat van geconditioneerdheid. Maar als iemands geest volkomen opgaat in de lotusvoeten van Bhagavān, is dat de hoogste vorm van verering. Wanneer is zoiets mogelijk? In de beginfase van śraddhā, geloof, kan dat niet. Wanneer later de ruci-fase, smaak, komt, kan het ook nog niet. Pas daarna kunnen we werkelijk ons hart beginnen te geven. Op het niveau van āsakti, geestelijke gehechtheid kunnen we Hem misschien de helft van ons hart geven. Op het niveau van bhāva of devotionele extase kunnen we misschien driekwart van ons hart aan Hem geven, maar pas op het niveau van prema, goddelijke liefde, kunnen we ons hart helemaal aan Kṛṣṇa geven.
Daarom zei Kṛṣṇa aan Uddhava toen Hij hem naar de gopī’s in Vṛndāvana stuurde op sluwe wijze, dus niet direct maar met een omweggetje, “Uddhava, Mijn vader en moeder zitten in de rats over Mij. Ga naar ze toe, doe ze Mijn groeten en troost ze een beetje.”
Uddhava wachtte even voor hij zei, “Is er nog wat anders?”
Kṛṣṇa dacht, “Wat zal Ik hem nu wel zeggen en wat niet?” Daar zat hij een beetje over in. Maar na enig beraad besloot Hij, “Als Ik het hem nu niet zeg, wanneer dan wel?” En Hij zei, “Ja, er is nog wat. Daar in Vṛndāvana zitten de gopī’s, die Me uiterst lief zijn. Ze hebben Me hun hele hart gegeven en buiten Mij weten ze van niets en niemand. Ter wille van Mij hebben ze al hun lichamelijke behoeften prijsgegeven en zorgen ze niet eens meer voor hun lichaam. Ze vergeten te eten en te drinken, zich te baden en zich te tooien met sieraden en mooie kleren en hun haar te doen. Hun lichaam is vast vermagerd en verzwakt en kijk toch eens hoe ze zich niets meer aantrekken van hun bloedverwanten: man, kinderen, vrienden en vriendinnen, broers, rijkdom en bezit. Ze beminnen niemand behalve Mij en dag en nacht gaan hun gedachten slechts op in Mij. Ach, Uddhava, nergens ter wereld vind je zo’n voorbeeld van hoe de een zijn hart aan de ander kan geven. Op de een of andere manier houden ze hun leven in stand. Hun levensadem zit slechts nog in hun hals, hoe kunnen ze het nog veel langer zo uithouden? Ik weet niet of ze nog te redden zijn of niet. Ga daarom gauw naar ze toe en red ze. Ga en laat ze weten dat Ik beslist morgen of overmorgen kom.
Alleen daarvoor klampen ze zich nog aan hun leven vast. Ze denken dan, ‘Kṛṣṇa zegt dat Hij komt en Hij kan nu eenmaal niet liegen.’ Terwijl ze zich aan die hoop vastklampen, is het alsof hun leven aan één takje hangt. Breekt dat takje, dan storten ze neer, dat wil zeggen dat ze hun leven prijsgeven. Dus ga gauw.” Op die manier zijn de gopī’s het volmaakte voorbeeld van man-manā bhava.
Hoor nu naar een voorbeeld van hoe Kṛṣṇa iemands hart grijpt. We beseffen dat het heel moeilijk is om ons hart aan iemand te geven, maar als iemand ons hart grijpt, is het heel makkelijk. Als we niet gegrepen worden, lukt het ons gewoon niet om ons hart te geven. De Kaṭha Upaniṣad (1.2.23) zegt:

nāyam ātmā pravacanena labhyo
 na medhayā na bahunā śrutena
yam evaiṣa vṛṇute tena labhyas
 tasyaiṣa ātmā vivṛṇute tanūṁ svām

Śrī Kṛṣṇa kiest een hart uit dat Hem lief is en zegt dan, “Kom hier! Ik pak je hart.” Zelfs als we ernaar verlangen om Hem ons hart te geven, is het heel moeilijk, maar als Hij het pakken wil, kan het. Maar we moeten ons hart zo voorbereiden dat wanneer Kṛṣṇa ons ziet, de begeerte in Hem opwekt. Het hart moet in alle opzichten zuiver zijn. Als er maar één onzuiverheidje in zit, pakt Hij het niet. Maar zuiverheid alleen is ook niet genoeg. Ook veel jñanī’s hebben een zuiver hart. Daarom moeten we er een speciaal geur aan toevoegen, die zodra hij Kṛṣṇa’s neus bereikt Hem zal aantrekken. Het hart moet stromen van bhakti-rasa. Hoe grijpt Kṛṣṇa dan iemands hart? Dat zal ik hier vertellen.
Op een dag ging Kṛṣṇa in Vṛndāvana op stap om de koeien te weiden. Zijn huid had de kleur van een donkere regenwolk, Zijn golvende zwarte haar bengelde om Zijn gezicht en Hij zag er heel, heel mooi en aantrekkelijk uit. Zijn vrienden, die aan alle kanten om Hem heen liepen, juichten “Sādhu! Sādhu! – (“Geweldig! Geweldig!”) en prezen Kṛṣṇa en zongen en bliezen op hun fluit of hoorn. Terwijl ze zo verder gingen, kwamen zelfs de blinden van Vraja naar buiten om te proberen of ze er wat van konden zien. De een zei, “Waar gaan jullie naar toe?” Een ander antwoordde, “Ik wil darśana van Śrī Kṛṣṇa krijgen. Pak mijn hand, laten we gaan!” en gretig gingen ze eropaf.
Alle mensen van Vraja stonden langs het pad om te zien hoe Kṛṣṇa de koeien meenam om te grazen. Moeder Yaśodā en Nanda Bābā liepen achter Kṛṣṇa aan en zeiden, “Zoon van ons, kom gauw terug, ga niet te ver weg!” Telkens weer zeiden ze tegen Kṛṣṇa dat Hij terug moest komen en eindelijk, toen Hij beloofd had dat Hij later op de dag beslist zou terugkeren, gingen ze langzaam terug naar huis.
Er waren heel wat pasgetrouwde meisjes die pas in Vraja waren komen wonen in het huis van hun kersverse mannen. Ze liepen allemaal naar de deur om een glimp van Kṛṣṇa op te vangen. Sommigen gluurden door jaloezieën, anderen gingen het dak op en weer anderen klommen de bomen in de kuñja’s in.
Kṛṣṇa zocht ook. Hij wil altijd nieuwe meisjes zien. In één huis zat een meisje dat nog maar enkele dagen getrouwd was. Ze had allang gehoord hoe schitterend mooi Kṛṣṇa is wanneer Hij de koeien mee uit grazen neemt. Toen ze hoorde dat Kṛṣṇa er met de koeien aankwam, werd haar hart onrustig en hunkerde ze naar darśana van Hem. Maar haar kersverse schoonmoeder en schoonzuster zaten vlak buiten de deur en haar schoonzuster deed extra akelig tegen haar. Allebei zeiden ze, “Jij gaat niet. Wij gaan wel, maar je mag niet. Er gaat daar een zwarte slang en als die je bijt, raak je het gif nooit meer kwijt. Blijf daarom binnen! We komen gauw weer terug.”
“Waar gaan jullie naar toe?” vroeg het meisje. “En moet ik hier in mijn eentje thuis blijven zitten? Ik ga ook!”
“Nee, dat is gevaarlijk – Je gaat niet! Je bent nog heel onbeholpen en je zult het gif van die slang nooit wegkrijgen. Blijf zitten daar.”
“En toch ga ik mee.”
“Nee! Het is gevaarlijk! Je gaat niet!”
“Dan ga ik alleen! Alle vrouwen, oudere mensen, jongens, meisjes, vogels, beesten en insecten van Vraja willen nu darśana van Kṛṣṇa krijgen en ik alleen kan géén darśana krijgen? Reken maar dat ik ga!”
“Nee! Je gaat niet!”
“En ik ga wel! Zelfs als jullie me hier uit het huis willen gooien ga ik nog!”
Toen ze zagen dat Kṛṣṇa naderbij was gekomen, haastten de schoonmoeder en schoonzuster zich erheen om te gaan kijken. Toen ze weg waren, boog het meisje zich naar voren en gluurde door een spleet in de deur. Zij kon naar buiten kijken, maar niemand naar binnen. Kṛṣṇa hield de fluit aan Zijn lippen en speelde zo zalig dat het leek alsof de nectar van Zijn hart door de gaten van Zijn fluit naar buiten kwam en het hele gebied van Vṛndāvan overstroomde. Ogen die dat schouwspel nooit hebben gezien, mogen zo wegbranden. Alleen ogen die dat mooie schouwspel hebben aanschouwd zijn het licht erin waard. De gopī’s offerden Kṛṣṇa ārati niet met een lampje maar met hun blikken. Hun ogen waren als lampjes en de prema in hun hart was de olie. Hun ogen flakkerden terwijl ze Kṛṣṇa’s gedaante met zijdelingse liefdesblikken omkringelden en met die blikken brachten ze Kṛṣṇa arcana. In opperste vreugde werd Kṛṣṇa verlegen en nam ze allemaal op in Zijn hart.
Maar Hij keek speciaal in de richting van die ene deur. Het kan zijn dat Kṛṣṇa iemand wel of niet wil zien, maar als iemand Hem werkelijk zien wil, dan ziet Hij die persoon beslist. Die dag wilde Hij per se dat nieuwe meisje zien. Hij wilde alle anderen achter zich laten en er meteen op af en daarom haalde Hij een foefje uit met een kalf. Hij greep het bij de staart, gaf er een zwengel aan en dadelijk holde het kalf naar die deur alsof het enkel en alleen daarvoor was afgericht. En Kṛṣṇa meteen met het kalf mee. Daar stond Hij dan voor die deur, met die op drie plaatsen doorbuigende gedaante van Hem, de fluit aan Zijn glimlachende lippen. Zo schonk Hij dat meisje darśana. Klaar! Haar hart wrong zich naar buiten en Hij nam het mee terwijl Hij wegliep. Ze kon alleen maar roerloos achterblijven. Dat is nu iemands hart grijpen: man-manā bhava.
Als iemand de genade van Kṛṣṇa bereikt, zal Hij beslist het hart van die persoon grijpen. Als ons verlangen bijzonder sterk is en we ons afvragen, “Wanneer zal ik die mooie gedaante van Śrī Kṛṣṇa ooit aanschouwen?” dan is Kṛṣṇa heel voldaan en komt ons hart halen. Dat meisje had miljoenen jaren ascese bedreven om die kans te krijgen en op die dag kreeg ze haar beloning.
Ze bleef roerloos staan en er ging misschien een kwartier voorbij. Kṛṣṇa was weg, het bos in, en het stof dat door de koeien en de jongens was opgewolkt was allang weer gaan liggen. Roerloos stond ze daar nog, want beroofd van hart en geest was ze hulpeloos. Toen de nare schoonzuster haar zo zag, zei ze, “die zwarte slang Śyāmasundara heeft je gebeten, hè, en nu raak je het gif nooit meer kwijt!”
Ze schudde het meisje door elkaar en wist haar op de een of andere manier binnen te krijgen. “Hier! Neem deze karnstok en karn de yoghurt. Als je flink werkt, krijg je je geest wel weer terug.” Maar het meisje liep naar de verkeerde kruik en begon mosterdzaadjes te karnen, wat een verschrikkelijk lawaai maakte. Nu eens karnde ze, dan weer stopte ze. Waar waren haar geest en haar hart? Kṛṣṇa had ze meegenomen: man-manā bhava.
Weer verscheen de schoonzuster en zei, “Hé, wat doe je daar? Ik zeg het tegen je moeder hoor!’ Dadelijk kwam de schoonmoeder binnen en zei, “Pak deze kruik. Ga water halen.” Ze zette een grote kruik op haar hoofd en daarop een kleinere. Ze gaven haar ook een kind mee en zeiden, “Pas goed op dit jochie en zorg dat het niet gaat huilen.” Ze gaven haar een lang touw om daaraan de kruiken in de put te laten zakken en stuurden haar weg.
Zo ging ze. Bij de put maakte ze een strop in het touw om de kruik eraan te kunnen laten zakken. Maar in plaats van de strop om de kruik te schuiven, schoof ze hem om het jochie en stond op het punt om hem in de put te laten zakken. Iedereen schreeuwde, “Hé, wat doe je nou!” De mensen kwamen aanhollen, rukten het touw uit haar handen en redden het kind. Een gopī zei, “Het lijkt wel alsof ze van een geest bezeten is!”
Een andere gopī, die alles wist, zei, “Het is geen gewone geest, het is de geest van Nanda.”
Vṛndāvana is het oord voor hen die hun hart niet aan hun kinderen en familie kunnen wijden. Ze laten iedereen huilend achter en arriveren als vluchtelingen in Vṛndāvana, waar ze enkel en alleen om Kṛṣṇa huilen. Zelfs de nobele zoons en dochters van koningen komen naar Vṛndāvana, geven hun hart aan Kṛṣṇa en storten zich in bhajana.
Kṛṣṇa zei tot Arjuna, “Dat is man-manā bhava. Laat je hart in Me opgaan zoals het hart van de gopī’s.”
Arjuna antwoorde, “Prabhu, we staan hier op een slagveld! U hebt me gezegd dat ik met grootvader Bhīṣma moet vechten en met Droṇācārya en Karṇa. Daarom kan ik dat niet doen.”
Hierna zullen we “mad-bhakto – wees Mij toegewijd” uitleggen.

*rasa: een van de vijf ten volle beleefde gemoedsrelaties met Kṛṣṇa: 1. śānta: eerbied en ontzag; 2. dāsya: dienaarschap; 3. sakhya: vriendschap; 4. vātsalya: ouderliefde; 5. mādhurya: amoureuze liefde.

—Śrīla Bhaktivedānta Nārāyaṇa Mahārāja
Bron: De Nectar van Govinda-līlā, 4e editie (2e verbeterde druk)
Vertaling: door de leerlingen van Śrīla Prabhupāda en Śrīla Bhaktivedānta Nārāyaṇa Mahārāja
Compositie: Dāmodara dāsa
Image/Art made possible by Pixabay.com & Krishnapath.org

error: Content is protected !!